
Jurisprudentie
AS3886
Datum uitspraak2005-01-26
Datum gepubliceerd2005-01-26
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200405070/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-01-26
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200405070/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Appellant heeft bij brieven van 29 december 2002, 18 maart 2003 en 7 mei 2003 bezwaar gemaakt tegen de plaatsing van vier wijkcontainers op de hoek van de Witte Rozenstraat en de Jan van Goyenkade te Leiden.
Uitspraak
200405070/1.
Datum uitspraak: 26 januari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 april 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden.
1. Procesverloop
Appellant heeft bij brieven van 29 december 2002, 18 maart 2003 en 7 mei 2003 bezwaar gemaakt tegen de plaatsing van vier wijkcontainers op de hoek van de Witte Rozenstraat en de Jan van Goyenkade te Leiden.
Bij besluit van 21 augustus 2003 heeft het college dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 22 april 2004, verzonden op 17 mei 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 18 augustus 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door C. Begoua en L.H. Klaassens, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte niet in zijn bezwaren heeft ontvangen op de grond dat de plaatsing van de containers niet als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt.
Dat betoog faalt. Ingevolge genoemde bepaling wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plaatsen van de afvalcontainers op zichzelf een feitelijke handeling betreft die niet op enig rechtsgevolg is gericht. Nu voorts aan de plaatsing geen schriftelijke beslissing ten grondslag ligt, is het college er terecht van uitgegaan dat geen sprake is van een besluit. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college appellant terecht niet in zijn bezwaren heeft ontvangen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de vraag of de plaatsing van de containers in overeenstemming is met het bestemmingsplan en de door hem gestelde overlast, kan in deze procedure niet aan de orde komen.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Klein Nulent
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005
218-422.

